Sociaal & Maatschappelijk , Taal & Lied

Rederijkers – Oefening Baart Kunst

Rederijkerskamers kwamen in de Nederlanden tot stand vanaf de late middeleeuwen, eerst in Vlaanderen en daarna in de Hollandse steden. De leden van de kamers, die een structuur hadden die wel wat op die van de gilden leek, bekwaamden zich in welsprekendheid, dicht- en toneelkunst. Met de grote bloeitijd van de rederijkerij was het in de zeventiende eeuw gedaan. Een nieuwe Gouden Eeuw voor het rederijken deed zich bijna drie eeuwen later voor, in Groningen nota bene.

Rederijkers – Oefening Baart Kunst

De leden van rederijkerskamer 'De Vriendschap' in Finsterwolde tijdens het vijftigjarig jubileum in 1921. Foto particuliere collectie.

Taalbarrière

Nederland werd vanaf het midden van de negentiende eeuw steeds kleiner. Door de aanleg van verharde doorgaande wegen en de ontwikkeling van het spoorwegennet werden reistijden aanzienlijk verkort. De industrialisatie kwam op gang en de overheid werd actief op meerdere maatschappelijke terreinen. Zo ontstonden landelijke loopbaanmogelijkheden.

Door veel Groningers werd echter een achterstand gevoeld voor deelname aan dit nieuwe nationale circuit. Vooral de taal was een barrière. Het Tweede Kamerlid Jan Freerks Zijlker (1805-1868), een herenboer uit Nieuw-Beerta, liet weten het in Den Haag moeilijk te hebben met het volgen van het ‘vlug-hollands’. Zijn eigen inbreng in het parlement werd tezelfdertijd wel eens gekwalificeerd als ‘onverstaanbaar’.

Oefening Baart Kunst

Om zich te oefenen in taalvaardigheid, werden vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw overal in Groningen rederijkerskamers opgericht. De leden, veelal boeren, gegoede dorpsburgerij en notabelen, bekwaamden zich tijdens de bijeenkomsten in het gebruik van het Algemeen Beschaafd Nederlands door het reciteren van werken van achttiende- en negentiende-eeuwse auteurs.

De eerste kamer in de provincie was in 1853 ‘Tollens’ in Hoogezand-Sappemeer, met als doelstelling om ‘door oefening in ’t declameeren of reciteeren van poezy en proza onzen geest te beschaven.’ Het Veendammer rederijkersgezelschap ‘Excelsior’ (1874) ging in de statuten nog een stapje verder: ‘door het zooveel mogelijk gebruiken der Nederlandsche taal, het Veendammer dialect tegen te gaan.’ De namen van enkele Groninger kamers spreken in dit verband boekdelen, zoals bijvoorbeeld ‘Oefening Baart Kunst (Aduard, 1882), ‘’t Ontluikend Bloempje’ (Blijham, 1855), ‘Vooruitgang zij ons doel’ (Noordhorn, 1864) en ‘Eloquentia’ (Scheemda, 1887).

Dat het rederijken vooral in Groningen populair was, blijkt wel uit een inventarisatie van rederijkerskamers in de negentiende eeuw. Van de 907 kamers die in Nederland geteld werden, waren 167 actief in de provincie Groningen, bijna een vijfde van het totaal. Veel daarvan waren aangesloten bij het in 1867 opgerichte – en nog steeds bestaande – Provinciaal Groninger Rederijkers Verbond.

Te zien en gezien te worden

Bij de rederijkers stond behalve taalvaardigheid ook het sociaal verkeer hoog in het vaandel. De avonden en concoursen boden de jonge leden volop gelegenheid de huwelijksmarkt te verkennen. Het rederijken was in boerenkringen zo populair, dat in 1885 in het noordelijk Westerkwartier zelfs werd geklaagd dat boerenzoons liever toneelspeelden dan dat ze een landbouwkundig boek ter hand namen. 

De pretenties die de rederijkers ten toon spreiden, wekten de spotlust op van de literatuurcriticus Conrad Busket Huet. Volgens hem waren de ‘eerzuchtige namen’ van sommige kamers – zoals ‘Palamedes’ in Nieuwe Pekela en ‘Sappho’ in Loppersum – niet meer dan een ‘glimp van beschaving’. Die konden de werkelijke bedoelingen van de leden volgens hem niet verhullen: ‘voor weinig geld, en met weinig onkosten van toilet, een avond buiten ’s huis door te brengen; te zien en gezien te worden.’

Terugloop

In de tweede helft van de twintigste eeuw nam de populariteit van het rederijken af, zowel door het veranderen van maatschappelijke omstandigheden als door de concurrentie met andere vormen van vrijetijdsbesteding. Een vereniging als Vondel, in 1918 opgericht in Uithuizen, haalde bijvoorbeeld net haar eeuwfeest niet. Anno 2018 zijn er in de provincie Groningen nog zestien rederijkerskamers actief.

Bronnen

IJnte Botke, Boer en heer. ‘De Groninger boer’ 1760-1960. Groninger Historische Reeks 23 (Assen 2002).

W. van den Berg en A. de Bruijn, ‘Negentiende-eeuwse rederijkerskamers, een inventarisatie’, De Negentiende Eeuw 6, nr. 4 (december 1992) 163-184.

Oscar Westers, Welsprekende burgers. Rederijkers in de negentiende eeuw (Nijmegen 2003).

J. Haan e.a., Alzoo rederijkers! 125 Provinciaal Groninger Rederijkers Verbond (Scheemda 1992).

Martin Hillenga, ‘Cultuur en ontspanning’, in Paul Brood, Martin Hillenga en Harm van der Veen (red.), 350 Jaar Veendam en Wildervank (Bedum 2005).

Reacties

Nog geen reacties

Reageer
  • Wordt niet openbaar gemaakt