Sociaal & Maatschappelijk

Fopdrachten

Veur n tisternait om Jan Kezoan

Het zit in de menselijke natuur om elkaar voor de gek te houden.  Dat is nu zo – getuige de vele en populaire prank-video's op YouTube – en vroeger was dat niet anders. De ouderdom van bijvoorbeeld een traditionele 'fopdag' als 1 april is aanleiding voor vele theorieën en speculaties, maar duidelijk is dat dit gebruik al uit de Middeleeuwen dateert en mogelijk relaties heeft met het Narrenfeest. Daarbij werden hiërarchische verhoudingen binnen de geestelijkheid voor een korte periode omgedraaid.

Fopdrachten

Slagerij L.G. Bosma aan de Astraat in Groningen, 1898. De jongste slagersjongen staat niet op de opname: hij is op boodschap. Foto www.beeldbankgroningen.nl (2138_6327).

Jan Kezoan

Zo'n ritueel van elkaar voor de gek houden heeft zeker een maatschappelijke functie. De grappen zorgen voor een moment van ontlading van eventuele sociale frictie door bestaande verhoudingen te relativeren. Tezelfdertijd bewerkstelligen ze juist een bevestiging daarvan: ze maken duidelijk wie insiders of juist buitenstaanders zijn, wie hoog- of laaggeplaatst is.

Duidelijk komt dat naar voren bij de 'fopdrachten', de onuitvoerbare opdrachten waaraan nieuwkomers in een werkomgeving werden (en worden) blootgesteld. Johannes Onnekes (1844-1885) uit Ulrum schreef daarover in 1885, op basis van zijn eigen observatie:

'Bij gelegenheid der slacht hebben de boerenmeiden en werkvrouwen dikwijls de aardigheid een onnoozelen bloed (schaapjongen of kindermeid), die nog niet weet, dat de wereld vol bedrog is, uit te zenden naar een buur of een ambachtsman van het dorp, om iets te halen dat niet bestaat, bijv. een wôrstpetroon (worstpatroon), schampeljoun (Fransch échantillon) veur rolvellen, enz. Deze grap noemt men: iemand veur Kezoan of Jan Kezoan laten loopen en heet eerst recht aardig, als de boodschapper van den een naar den ander wordt gezonden en eindelijk te huis komt met de verzekering, dat hij zijn best gedaan, bij die en die en die geweest is, maar het gevraagde nergens heeft kunnen bekomen. In het Oldambt houdt men op gelijke wijze iemand voor den gek door hem met de milt van een geslacht dier uit te zenden, hem voorspiegelende, dat hij daarvoor een goede fooi zal kunnen krijgen, bijv. bij den bakker, die gewoon is er zijne ovenplaten meê in te smeren, den smid, die het ding op gelijke wijze moet gebruiken bij zijn aambeeld, enz.'

Andere populaire zaken waarmee een niet-ingewijde op boodschap kon worden gestuurd, waren een groupfaail (een dweil om de mestgrup mee te reinigen) en een steenschaaf, onmisbaar in de bouw.  Een fopdracht voor alle gelegenheden: de tisternait.

Plintenladdertje en miltzaag

Meer dan een eeuw nadat Onnekes zijn woorden neerschreef, is de wereld nog steeds 'vol bedrog'. De Neerlandicus en wetenschapsjournalist Peter Burger inventariseerde in 2002-2003 voor een viertal artikelen in het blad Onze Taal met welke onzinopdrachten mensen op pad werden gestuurd. Een kleine greep: plintenladdertje (ook wel aardbeien- of bosbessenladdertje), dichtegaatjespan, de map met zoekgeraakte stukken, ooievaarskuitenvet, muggenvet en een doosje bougievonkjes. Eén respondent liet Burger weten:

'In mijn kwajongenstijd werd er bij ons op het dorp in Noord-Groningen nog aan huis geslacht. Bij zo'n gelegenheid was de slager wat vergeten en mij werd de opdracht verstrekt:"Jong, gao es naor bakker tou en haol mie ee'm de miltzaog op"'.

Burger signaleerde bij zijn onderzoek dat veel mensen putten uit herinnering aan een verder verleden, hoewel het gebruik in sommige – juist meer hiërarchisch geordende – beroepsgroepen nog springlevend was, zoals in de bouw, het leger, de grafische wereld en in ziekenhuizen. 'In organisaties daarentegen waar de overlegcultuur bloeit en iedereen – al is het maar voor de vorm – gelijk is, bestaat minder behoefte aan ontgroeningen. Het zal geen toeval zijn dat ik geen voorbeelden van fopdrachten heb ontvangen van onderwijzers, psychotherapeuten, groepsleiders, journalisten en hbo-docenten.'

Bronnen

Johannes Onnekes, Zeden, gebruiken en gewoonten in de provincie Groningen (Kuilenburg 1885).

Jochum Stattin, 'On the serious side of April fooling. When it is permitted to joke about important matters', in: J. Frykman and O. Löfgren (red.), Force of habit. Exploring everyday culture (Lund 1996) 119-127.

https://onzetaal.nl/dossiers/dossiers/aprilgrappen/

http://vervening.blogspot.nl/2015_10_01_archive.html

Reacties

Nog geen reacties

Reageer
  • Wordt niet openbaar gemaakt