Planten & Dieren

Groninger Blaarkop

De Blaarkop is sinds lange tijd in Nederland een bekend rundertype en is al beschreven in de veertiende eeuw, al waren er toen nog geen rassen benoemd. In de vroege West-Europese schilderkunst komen we weinig runderen tegen maar in 1560 schilderde Pieter Aertsen voor het hoofdaltaar in de Nieuwe Kerk in Amsterdam een kerststaltafereel met een daarin een blaarkop.

Groninger Blaarkop
Groninger Blaarkoppen. - Foto: Hindrik Sijens

Koe in jacquet

Het woord 'blaar' verwijst naar de gekleurde vlek rond de ogen in de witte kop. Aan het begin van de twintigste eeuw wordt de ideale blaarkop als volgt omschreven: 'Zwart over de gehele romp en hals. Alleen de kop, de buik, de pluim van de staart en de poten beneden de knieën en hakken hoorden wit te zijn. het wit van de kop werd veelal onderbroken door zwarte velden om de ogen. Waren deze velden verbonden met het zwart van de hals, dan sprak men van vaste blaren; was dat niet het geval, van losse. Ontbraken de blaren dan werden de dieren witkoppen genoemd.' Vanwege de specifieke blaren rond de ogen, de witte kop, buik, staartpunt en ‘sokken’ wordt de Blaarkop ook wel ‘koe in jacquet’ genoemd. Het blaar- en witkoprund is er ook in de rode variant.

Gronings veeslag

Blaarkoppen worden voor typisch Groninger koeien gehouden, hoewel ze van oudsher ook elders in Nederland voorkwamen, bijvoorbeeld in Holland en Utrecht. De eerste blaarkoppen die in 1908 in het Nederlands Rundvee Stamboek werden opgenomen kwamen zelfs uit Holland. Wel werden ze aangeduid als Gronings veeslag.

Dubbeldoelkoe

De blaarkop is een 'dubbeldoelkoe', maar de nadruk ligt iets meer op de vleesaanzet dan op melkproductie. Volgens Seebe Roorda, in 1912 de voorzitter van het Groninger Rundvee Stamboek, muntten deze dieren uit 'in gezondheid , in fijnen bouw, in fraaien vorm (...) met een voldoende productievermogen, met evenveel aanleg voor vleesch als melk'. Roorda spoorde fokkers aan 'de waarde van dit vee te verhogen'. Dan zouden vreemdelingen niet alleen naar Groningen komen 'om die fraaie stad' te bezichtigen, maar ook Hunsingo en 't Westerkwartier bezoeken om 'die onafzienbare korenvelden, afgewisseld met die vruchtbare gras- en klavervelden te zien, waarin geweid worden de fijne blaar- en witkoppen'. De blaarkop werd in Groningen aan het begin van de twintigste eeuw vooral gehouden in het noordelijk deel van het Westerkwartier en in Hunsingo.

Prachtgezicht

Over de esthetische waarde van de blaarkop voor het Groninger landschap waren de liefhebbers het eens: 'Een kudde van dit vee in het landschap is een lust voor het oog', schreef Aijolt Kloosterboer, boer en ooit oud-burgemeester van Warffum. Jan Albert Meijer, boer op Oud Bokum onder Kloosterburen, sprak met enthousiasme over de blaarkoppen die hij op de kwelder had lopen: een 'pracht gezicht' aldus de Groninger boer. Meijer had net als veel van zijn generatiegenoten een voorkeur voor de zwartblaren, rood was een 'modekleur'. Fokker en bevlogen promotor van de blaarkop, Derk Nijenhuis uit Pieterburen, spreekt van: 'deftige zwart- en opmerkelijke roodblaren', die in Groningen thuishoorden, maar elders in het land ook pasten.

Rode blaarkop. - Foto: Jan Glas
Rode blaarkop. - Foto: Jan Glas

Veepestepidemieën

Dat, zoals sommigen beweren, de blaarkop een oud ras is dat in het midden van de negentiende eeuw nog zeer zuiver was valt te betwijfelen, schrijft IJnte Botke in het prachtige boek De Groninger blaarkop. Na drie veepestepidemieën in de achttiende eeuw, waardoor zeer veel dieren stierven, konden de boeren op dit gebied niet kieskeurig zijn, ze waren tevreden met elke kleur en tekening. Uit bedrijfsaantekeningen over het boerenbedrijf van het huis Ekenstein te Tjamsweer blijkt dat in 1769 slechts zeven koeien van de veepest waren hersteld, twee daarvan waren blaarkoppen. Van een fokplan was geen sprake. Aan het eind van de achttiende eeuw hadden de meeste boeren vee van allerhande kleur en tekening inclusief een of enkele blaarkoppen. Er was veel vermenging met de zwartbonte koeien die Friese boeren meenamen wanneer ze zich vestigden in de Ommelanden.

Ook op de weinige tekeningen die rond 1800 van het Groninger platteland zijn gemaakt zien we tussen koeien van allerlei kleurslag en tekening meestal slechts enkele of helemaal geen blaarkoppen. In de Schoolmeesterrapporten van 1828, een uitgebreide enquête ingevuld door plattelandsonderwijzers, wordt ook geen aandacht geschonken aan de blaarkop.

Zuiver ras

Het bewust fokken van een zuiver ras werd pas vrij algemeen na de invoering van het Nederlandse Rundvee Stamboek (NRS) in 1874. Clara 1747, geboren in 1882 te Rasquert, was de eerste blaarkop uit Groningen die werd ingeschreven. In Nederland ontstonden in hoofdzaak drie veeslagen. Voor elk van de drie werd besloten een eigen stamboek in richten: het zwartbonte Hollandse, het roodbonte IJssel- en het zwartblaard of zwart-witkop Groningse veeslag. Het NRS erkende eerst geen roodblaren, maar nam deze in 1931 alsnog op.

Dit prachtige veeslag

Door de oprichting van stamboeken en melkcontroleverenigingen, kon het fokmateriaal beter worden geselecteerd op gewenste eigenschappen. Men maakte zich soms wel zorgen dat de typische bouw, het 'echte breede van de Hunsingo koeien' zou lijden onder de nadruk op melkproductie. Toen in 1945-1946 opnieuw richtlijnen voor de drie veerassen werden geformuleerd was men echter tevreden over de blaarkop: 'Van dit veeslag mag bewezen worden geacht dat zijn evenredige en gevulde bouw te combineren valt met een goede productiviteit.' Er was geen reden 'om niet aan het oude standaardtype van dit prachtige veeslag vast te houden.'

Liever zwartbont

Omdat buitenlanders liever zwartbont vee kochten, stapten steeds meer fokkers over op zwartbont vee. In het midden van de twintigste eeuw leek het erop dat de blaarkop zou verdwijnen. Slechts vijf procent van het Nederlandse vee bestond nog uit blaarkoppen, waarvan een tiende roodblaren. De grote klap kwam na 1970 toen aan melk meer viel te verdienen dan aan vlees, de dubbeldoelkoe had het afgelegd. In 1975 was het aandeel van de blaarkop binnen de Nederlandse veestapel nog maar één procent.

Behoud van de Blaarkop

Enkele Groningers waaronder Derk Nijenhuis uit Pieterburen, maakten zich in de jaren zeventig van de vorige eeuw sterk voor het behoud van de Blaarkop. Begonnen als akkerbouwer met drie blaarkoppen, bouwde hij in 1973 een ligboxenstal voor 135 dieren, op enkele rode na, alle zwartwit-blaarkoppen. Tien jaar later was de veestapel gegroeid naar 325. Met enkele anderen richtte hij in 1976 de werkgroep Blaarkop op, die samen met de sectie Blaarkop in Holland een goed fokplan ontwikkelde. In 1986 werd een Groninger Blaarkopvee Syndicaat opgericht dat handelt in sperma om zo het dubbeldoeltype en het  kenmerkende kleurpatroon te behouden. Er waren ook kritische geluiden o.a. van de kant van de stamboek, overheidsinstellingen en het landbouwonderwijs. Het aantal runderen zou te gering geworden zijn om te kunnen voortbestaan in de zuivere vorm. Bovendien zou er geen eenheid onder de fokkers zijn; ieder had een eigen voorkeur.

Een zelfredzame koe

Ondanks alles zie je in de eenentwintigste eeuw nog steeds blaarkoppen in Groningen. De eigenschappen van het rund worden door liefhebbers geprezen. 'Ze zijn mooi, ze zijn sterk, ze zijn zuinig, ze gaan lang mee en leveren nog wat op als ze naar de slager gaan.' De blaarkop lijkt juist wat betreft die duurzaamheid de tijd mee te hebben. De Vrije Koe, een organisatie die werkt aan het opnieuw laten floreren van oud-Hollandse runderrassen, vermeldt op haar website: 'Blaarkopkoeien zijn zelfredzaam en hoeven nauwelijks bijgevoerd te worden' en omdat het volgens De Vrije Koe 'sterke oerdieren zijn die niet snel ziek worden, hebben ze geen preventieve antibiotica nodig. Het is bovendien een van de weinige rassen die het goed doen in natte natuurgebieden.' Bij biologische boeren is de blaarkop om deze eigenschappen in trek.

En zo behoudt deze Groninger koe, in een tijd van 'duurzaamheid', 'bewust eten' en 'landschapsbeheer', voorlopig zijn plek in het Groninger landschap.

Reacties

Nog geen reacties

Reageer
  • Wordt niet openbaar gemaakt