Taal & Lied

Het Groninger volkslied

Van Lauwerszee tot Dollard tou

Het Groninger volkslied wordt tegenwoordig uit volle borst meegezongen. Maar dat was niet altijd het geval. In 1937 leidde dat zelfs tot enkele minuten onbedoelde radiostilte bij de AVRO, waar het Van Lauwerszee tot Dollard tou had moeten klinken.

Het Groninger volkslied

Het zingen van het Groninger volkslied onder begeleiding van het NFO. Foto RHC Groninge Archieven

Heimwee

Het volkslied, Grönnens laid (ook wel Grunnens laid), is geworteld in heimwee. Het kwam buiten de provincie tot stand. Vanaf het eind van de negentiende eeuw vlogen steeds meer Groningers uit naar andere delen van het land. Vooral werk was daarvoor een drijfveer. Bij een aantal migranten ontstond kennelijk na verloop van tijd heimwee naar hun geboortegrond, want vanaf het begin van de vorige eeuw werden overal in het land ‘Grunneger verainens’ opgericht.  De eerste in Dordrecht in  1904, daarna volgden migrantenverenigingen in onder andere Rotterdam, Den Haag, Haarlem en Arnhem. In 1935 kwam zelfs in Nederlands-Indië een vereniging van oud-Groningers van de grond.

De clubs, vooral bestaand uit hoogopgeleide Groningers, hadden vooral gezelligheid hoog in het vaandel. In het reglement van de vereniging in Utrecht (opgericht in 1918) was dat verwoord als: ’t Doul van de Verainiging is om de Grönnegers in de stad Utrecht met mekoar in kennis te brengen om hierdeur ain gezellig vertier tot nut en vermaok te kriegen.’

Laid

In deze context kwam het Gronings volkslied tot stand. In 1919 verscheen de tekst voor het eerst in het maandblad Groningen, het gezamenlijk tijdschrift van de Groninger verenigingen.  Schrijver was Geert Teis, pseudoniem van de Gerhard Willem Spitzen. Hij was oorspronkelijk afkomstig uit Stadskanaal, maar op dat moment werkzaam als leraar Duits in Den Haag. Teis schreef het lied al enkele jaren daarvoor, mogelijk geïnspireerd door het vers 'k Groet U heerlijk 's-Gravenhage, pronkjuweel in Hollands tuin

De melodie van het Grönnens laid werd gecomponeerd door G.R. Jager, afkomstig uit Slochteren maar werkzaam als schoolhoofd in Zaandam.

Ideaal

Groningen, zoals dat door Teis in het Grönnens laid wordt geschilderd, is haast een utopie. Géén sociale problematiek of tegenstellingen tussen de verschillende geloofsgroepen, die toch de periode tussen de beide Wereldoorlog prominent aanwezig waren, maar 'dege degelkhaid' en 'rustig waarkt en wuilt het volk':

Van Lauwerzee tot Dollard tou,
van Drenthe tot aan 't Wad,
doar gruit, doar bluit ain wonderlaand
rondom ain wondre stad.
Ain Pronkjewail in golden raand
is Grönnen, Stad en Ommelaand;
ain Pronkjewail in golden raand
is Stad en Ommelaand!

Doar broest de zee, doar hoelt de wind,
doar soest 't aan diek en wad,
moar rustig waarkt en wuilt het volk,
het volk van Loug en Stad.
Ain Pronkjewail in golden raand
is Grönnen, Stad en Ommelaand;
ain Pronkjewail in golden raand
is Stad en Ommelaand!

Doar woont de dege degelkhaaid,
de wille, vast as stoal,
doar vuilt het haart, wat tonge sprekt,
in richt- en slichte toal.
Ain Pronkjewail in golden raand
is Grönnen, Stad en Ommelaand;
ain Pronkjewail in golden raand
is Stad en Ommelaand!

Radio

Het Grönnens laid werd vooral gezongen bij bijeenkomsten van de Groninger verenigingen in den lande. Daarbuiten genoot het amper bekendheid. Op een – pijnlijke – manier kwam dat aan het licht tijdens een radio-uitzending van de AVRO op 30 november 1937. De omroep haalde een groep Friezen en Groningers naar de studio in Hilversum voor een programma over de noordelijke provincies. De Friezen zongen hartstochtelijk mee met Frysk bloed tsjuch op, maar toen het studio-orgel de klanken van het Grönnens laid inzette, bleven de Groninger kaken strak op elkaar. Men kende de tekst niet...
Na het ongelukkig voorval werd een promotiecampagne opgezet om aan het lied bekendheid te geven. Met succes.

Voor vreemden zing ik niet

Overigens is het Grönnens laid niet het eerste Gronings volkslied. In 1838 schreef S.R. Oomkens al een volklied. Dat werd echter té Stads bevonden. Bovendien was de tekst Nederlands:

'k Wijd aan Groningen mijn lied,
Aan 't gewest, waar 'k ben geboren,
Waar ik 't eerste licht zag gloren,
Waar 'k nog zoo veel heil geniet.
Spreidt een ander ook het schoon
En den weidschen roem van vreemden
Meer dan eigen glans ten toon,
Ik bezing slechts Gruno's beemden;
'k Wijd aan Groningen mijn lied,
Maar voor vreemden zing ik niet.

Bronnen

J.J. Groenbroek en H. van der Veen (red.), Het volk van loug en stad: ’t Grunnens laid aan- en oetkled (Scheemda 2000)

D. Broersma, Het wonderland achter de horizon. Groninger regionaal besef in nationaal verband 1903-1963 (Assen 2005)

1

Youtube

Youtube

Reacties

Nog geen reacties

Reageer
  • Wordt niet openbaar gemaakt